Hoofdstuk 3. Heksen en de machthebbers.

Voor het jaar 1500 bestond er een verschil tussen 'ketters' en 'heksen’. Ketters waren mensen die, volgens de kerk, op een verkeerde manier in God geloofden. Heksen waren mensen die ervan beschuldigd werden kwaad te doen in opdracht van de duivel. Veel mensen dachten dat de heksen dan ook 'gelovigen' waren van een ander soort godsdienst. Volgens de mensen die op de heksen gingen jagen was die andere godsdienst bedoeld om de duivel te aanbidden. De duivel was (zo zei men) verantwoordelijk voor alle ellende en al het kwaad in de wereld. Als de mensen iets verkeerds deden werden ze door God gestraft. De straf was dat God de duivel zijn gang liet gaan. Als de gelovige mensen iets goeds wilden doen, dan moesten ze beginnen alle aanhangers van de duivel wegjagen of doden.

In het begin werden beschuldigingen van tovenarij door de machthebbers niet serieus genomen. Wat moest je met een boer die zei dat zijn koe gedood was door tovenarij? De man vertelde dat het beest de dag ervoor nog gezond leek en nu dood in de wei lag. Een getuige vertelde dat hij een oude vrouw die voorbij was gelopen 'vreemd' naar het beest had zien kijken. Misschien zei die man maar wat en had hij zelf slecht voor het dier gezorgd.

Er waren in die tijd twee soorten machthebbers. Aan de ene kant stond de zogenaamde 'wereldlijke overheid'. Dat waren de koning en zijn dienaren in de dorpen en steden; aan de andere kant stond de kerk, onder leiding van de paus in Rome. Het was de kerk die in het begin hekserij begon te vervolgen. Later deden ook de burgemeesters en de politie mee.

De kerk kon alleen maar mensen vervolgen als zij gesteund werd door de koningen en de stadsbesturen, door die 'wereldlijke overheid'. De kerk had geen soldaten of politieagenten in dienst. Ze moest dus geholpen worden door de plaatselijke overheid. Met andere woorden: de kerk moest een koning of een stadsbestuur eerst overhalen om tot een heksenjacht over te gaan, voordat ze iets kon doen.

In de periode vòòr 1500 gebeurde er van alles waardoor ook de koningen en hun dienaren op heksen gingen jagen.

vragen:

  1. Wat is goed?
    1. ketters hadden geen geloof
    2. ketters hadden geen god
    3. ketters geloofden wel in god
  2. Volgens de beschuldigingen stonden heksen in dienst van:
    1. god
    2. de kerk
    3. de duivel
    4. de koning
  3. Door wie zou het idee van een 'anti-godsdienst' wel serieus zijn genomen?
    1. een graaf
    2. een monnik
    3. een koning
    4. een burgemeester
  4. Waarom moest de kerk steun hebben van de plaatselijke overheid?
    1. ze wist niet wat ze moest doen
    2. ze had zelf geen soldaten
    3. ze had zelf geen geld genoeg

Terug naar de inhoudsopgave