Hoofdstuk 4. Onrust in de Christelijke kerk.

Zoals al gezegd: in de periode voor 1500 gebeurde er een aantal dingen waardoor de kerk (de paus en de bisschoppen) en de wereldlijke overheid (koningen en de keizer) steeds meer gingen samenwerken.

Er zijn geschiedkundigen die zeggen dat het allemaal begon met het uitbreken van een verschrikkelijke ziekte. In de tweede helft van de veertiende eeuw brak de Pest uit. De ziekte was heel besmettelijk en dodelijk. Niemand begreep in die tijd hoe je besmet kon worden. Ze konden de ziekte niet zien aankomen. Van de ene dag op de andere was je ziek en ging je dood. Doktoren wisten niets van dingen zoals hygiëne.

In vijftig jaar tijd stierf ongeveer een derde van de bevolking van West-Europa. Nog nooit hadden de mensen zoiets afschuwelijks meegemaakt. Ze begrepen niet waarom dit gebeurde. Ze dachten dat het de straf van God was. Maar waarvoor? Wat hadden ze misdaan? Ook de mensen van de kerk wisten het niet. Ze zeiden dat de mensen in de ogen van God hadden gezondigd.

Eén van de redenen waarom de mensen van de kerk geen goed antwoord hadden, was omdat het met de kerk zelf niet zo goed ging. Er was ruzie. In Rome, de stad waar de paus woonde, brak er strijd uit. Als gevolg daarvan moest de paus vluchten. Hij ging in Avignon, een stad in het zuiden van Frankrijk wonen. Het hof van de paus daar leek al gauw meer op dat van een rijke koning dat van een geestelijk leider. Ook de gewone mensen in de kerk, de monniken, leefden steeds minder volgens de regels. Monniken moesten de gewone mensen een goed voorbeeld geven. In plaats daarvan waren het vaak mannen die gokten, alcohol dronken en achter de vrouwen aanzaten. Rijke mensen kochten baantjes in de kerk voor hun kinderen. Zo kreeg de kerk een steeds slechtere naam. Er kwamen steeds meer mensen die zeiden dat er dingen moesten veranderen. Zij werden hervormers genoemd.

De onvrede van de gewone mensen nam toe. Wat hadden ze aan een kerk die niet in staat was om iets te doen aan die verschrikkelijke pest? Er braken opstanden uit en oorlogen. Er werden allerlei nieuwe godsdienstige groepen (sektes) opgericht. Vreemde groepen mensen trokken door het land. Armoedig geklede mensen die zichzelf geselden (flagellanten), danszieken (die alleen gekalmeerd konden worden door ze muziek in de oren te tetteren), naaktlopers en gekkenschepen (schepen waarop men 'gekken' en soms ook besmettelijk zieken op zette). Deze schepen voeren de rivieren af, maar mochten nergens aanleggen. Voedsel werd meestal vanaf de oever toegeworpen.

Uiteindelijk uitte deze onvrede zich in de snel groeiende aanhang van hervormers zoals Luther en Calvijn. Luther en Calvijn waren mensen die andere ideeën hadden over het geloof. Er waren veel mensen die hen wilden volgen. Zij werden vervolgd door de katholieke kerk.

Ook waren er opstanden van boeren en burgers, vooral in Frankrijk en Duitsland. Omdat de opstanden wreed werden onderdrukt (ook door de hervormers), uitte men de onvrede op een andere manier. Er waren immers mensen die altijd al hadden gezondigd? Zij werden het doel van vervolgingen. Wie die mensen waren? Het waren 'rare mensen', 'eigenaardige oude vrouwtjes', 'mensen die er anders uitzagen' en tenslotte de eigen buren... Kortom, het waren 'heksen'.

 

vragen:

  1. Wie gingen er na 1500 steeds meer met elkaar samenwerken?
    1. De burgers en de priesters
    2. De kerk en de gewone mensen
    3. De wereldlijke overheid en de kerk
  2. Wat gebeurde er in de tweede helft van de veertiende eeuw?
    1. de mensen gingen vaker slechte dingen doen
    2. er brak een verschrikkelijke ziekte uit
    3. er kwamen meer monniken
    4. er gebeurde niets
  3. Wat deed de kerk om de mensen gerust te stellen?
    1. men koos twee pausen
    2. men zei dat de mensen gezondigd hadden en gestraft werden
    3. men deed eigenlijk niets
    4. men ging meer drinken en eten
  4. Wat vonden de gewone mensen in die tijd van de kerk?
    1. ze waren tevreden
    2. ze stichtten monnikenordes
    3. ze kozen een nieuwe paus
    4. ze waren ontevreden
  5. De monniken moesten de gewone mensen een goed voorbeeld geven. Welke twee zaken uit het rijtje hieronder hoorden daar niet bij?
    1. veel bidden
    2. regelmatig naar de kerk gaan
    3. vaak dronken worden
    4. gehoorzamen aan de paus
    5. zoveel mogelijk vrouwen versieren
    6. goed werk doen voor arme mensen
    7. mensen tot het christendom bekeren
  6. In welke landen liggen Rome en Avignon tegenwoordig?
    1. in Italië en Duitsland
    2. in Italië en Frankrijk
    3. in Frankrijk en Nederland
    4. In Duitsland en Polen
  7. Omdat de mensen ontevreden waren, gingen ze dingen doen. Wat deden ze niet?
    1. oorlog voeren
    2. lid worden van de kerk
    3. naakt lopen
    4. Luther helpen
  8. Wie kwamen er in opstand?
    1. de boeren en de monniken
    2. de burgers en de paus
    3. de boeren en de burgers
    4. Luther en Calvijn
  9. Nadat de opstanden waren neergeslagen, uitte de ontevredenheid zich in het vervolgen van:
    1. heksen
    2. monniken
    3. boeren
    4. burgers

Terug naar de inhoudsopgave