Hoofdstuk 5. Magie in de zestiende en zeventiende eeuw.
In veel geschiedenisboekjes staat dat de zestiende en zeventiende eeuw eeuwen van 'vooruitgang' waren. Er werden veel nieuwe ontdekkingen gedaan. De wetenschap ging snel vooruit. Maar het waren ook de eeuwen met de grootste heksenvervolgingen. Voordat we wat meer over die vervolgingen vertellen, willen we wat zeggen over hoe mensen over 'magie' of 'tovenarij' dachten.
Het klinkt nu misschien wat vreemd, maar magie of tovenarij nam toen in het dagelijks leven een hele belangrijke plaats in. Men zocht voor allerlei gebeurtenissen die men niet begreep een verklaring. Als het plotseling begon te waaien of te stormen vertrouwde men dat niet. Als er mensen of dieren plotseling ziek werden of doodgingen, zocht men er wat achter. Men kon niet begrijpen dat de oorzaak van een ziekte misschien iets was dat men had gegeten of gedronken. Nee, er waren andere verklaringen. Voor die verklaringen ging men naar wijze mannen of vrouwen. Deze mensen wisten veel van kruiden en voorspelden de toekomst van hun klanten. In die tijd geloofde men in het bestaan van allerlei bovennatuurlijke wezens, zoals feeën, elven, dwergen, weerwolven, geesten en demonen.
Vrijwel elk dorp of gehucht had zo'n wijze man of vrouw. Deze hielp de inwoners bij het zoeken van verdwaald vee, bij het genezen van mensen en dieren, bij het geven van 'magische bescherming' van planten, huizen, schepen en reizigers, bij het vruchtbaar maken van mens en dier.
Zo'n dorp of gehucht was vrij afgesloten van de buitenwereld. De wegen waren slecht en het was vaak niet veilig. Iedereen kende iedereen. En bijna alles dat men nodig had kwam uit het dorp zelf. Alleen als er markt was kwamen er mensen van buiten. Zo'n wijze man of vrouw werd door de mensen uit het dorp verzorgd. Het waren vaak oude mensen die alleen op die manier nog wat konden verdienen. In de meeste gevallen ging het om oude vrouwen waarvan de man was overleden. Zij kon zelf niet meer werken op het land.
In andere dorpen was het een vrouwenberoep. De kennis werd van moeder op dochter doorgegeven. Deze kennis ging voornamelijk over de werking van bepaalde planten op mens en dier.
De plaats van zo'n vrouw in het dorp had eigenlijk twee kanten:
De enige manier waarop zo'n afgesloten dorp gedwongen kon worden om met andere mensen in contact te komen, was door oorlog. En als gevolg van de ruzie om de godsdienstige hervormingen van Luther en Calvijn braken er in de zestiende en zeventiende eeuw steeds weer oorlogen uit. In deze oorlogen trokken de legers door het land. Zij verwoestten daar vaak alles dat ze tegen kwamen en doodden veel mensen. Dit had tot gevolg dat de oude dorpsgemeenschappen ophielden te bestaan. En net als bij de pestepidemie vroegen mensen zich af wat voor zonden ze hadden begaan.
Maar nu waren er twee groepen die daar een antwoord op gaven. De katholieken gaven de protestanten de schuld en de protestanten gaven de katholieken de schuld. En beiden noemden hun tegenstanders 'heksen'. En als de heksenvervolgers kwamen zoeken naar heksen, hielp de bevolking vaak mee om hun eigen 'wijze vrouwen' uit de weg te ruimen. De oorlogsellende was God's straf voor het feit dat het dorp had toegestaan dat de heks haar 'duivelse werk' deed.
vragen: