Hoofdstuk 7. De 'Heksenhamer'.
In 1468 verklaarde de katholieke kerk dat hekserij een 'buitengewone misdaad' was. Daardoor konden tijdens een rechtszaak alle regels die normaal golden opzij worden gezet. Dat betekende bijvoorbeeld dat alleen het bewijs dat iemand schuldig maakte kon worden toegelaten. Pijnigen of martelen om bekentenissen af te dwingen was niet alleen toegestaan, maar werd zelfs aangemoedigd.
In 1486 brachten twee monniken, Heinrich Kramer en Jacob Sprenger, een boek tegen heksen uit. Het heette 'Malleus maleficarum' ofwel 'Heksenhamer'. Het was het eerste grote, gedrukte boek over 'demonologie' (= de wetenschap die zich bezig houdt met het opsporen van de werken van de duivel). Het werd een heel berucht boek. In de 'Heksenhamer' stond precies beschreven wat heksen waren, wat ze deden en waaraan je ze kon herkennen. Ook werd er verteld hoe je ze tot bekentenissen kon dwingen.
Het leek er veel op alsof de schrijvers een geweldige hekel hadden aan vrouwen. Ze stelden dat de vrouw minder slim was dan de man. In de Bijbel stond dat de vrouw gemaakt was van een rib van de man. De vrouw was al verleid door de slang in het Paradijs. Ze was goedgeloviger. Daarom was ze ook veel sneller tot hekserij te verleiden dan de man. Bovendien was de man minder geneigd tot hekserij omdat Jezus een man was geweest. Elke vrouw was in wezen verdacht. Het maakte niet uit of ze vaak naar de kerk ging of niet. Zelfs nonnen waren verdacht, omdat de duivel er speciaal op uit was om vooral godsdienstige vrouwen te verleiden. De duivel verwekte ook kinderen bij de heks. Het kind van een heks is dus 'duivelsgebroed'. Zelfs het kleinste meisje heeft dan een duivel als minnaar. Ze is dus ook heks en moet dus ook verbrand worden.
"Zonder vrouwen," zo schreven zij, "zou de wereld heel wat gevaren minder tellen. Hoe groot is dan tegenwoordig het gevaar nu velen van hen heksen zijn."
Ze stelden een lijst op van wat heksen konden:
De schrijvers beschreven aan de hand van verklaringen van vrouwen die beweerden er geweest te zijn over bijeenkomsten van heksen met de duivel.
Als er een nieuwe heks bij komt moet zij op een afgesproken dag en plaats samen komen met andere heksen. Daar komt dan ook de duivel. Die verschijnt daar in de gedaante van een man. Hij belooft hen een langer leven en geluk. De nieuwe heks moet dan het christelijke geloof afzweren. Daarnaast moet zij de duivel gehoorzaamheid beloven. Als bewijs moet ze een zalf maken uit de beenderen en armen en benen van kinderen.
'Ze zenden hagel, boze stormen en onweer. Zij veroorzaken onvruchtbaarheid bij dieren en mensen. Zij bieden ook kinderen bij de duivel aan. Ze vliegen van plaats naar plaats. Ze betoveren de geest van de rechters. Ze bewerken mensen die op de pijnbank worden gefolterd en toch blijven zwijgen. Ze horen van de duivel van alles over de toekomst. Ze zorgen ervoor dat vrouwen zieke kinderen krijgen. Ze veranderen de harten van mensen van liefde en haat. Ze veranderen mensen in dierengestalten. Ze doden pasgeboren kinderen en offeren hen aan de duivel. Ze stelen kinderlijkjes uit de graven en koken ze dan in een ketel; daarvan maken zij zalven om hun toverkunsten en hun luchtreizen mogelijk te maken.'
Heksenvervolgers van latere tijden geloofden niet alles wat er in dat verschrikkelijke boek stond. Maar wel hielden ze vast aan het idee dat in de eerste plaats vrouwen schuldig waren. En allemaal volgden ze de gruwelijke voorschriften op, die in de 'Heksenhamer' stonden. In de praktijk betekende het dat alleen al een beschuldiging van hekserij betekende dat iemand op de brandstapel zou komen.
vragen:
