Sprookje
(Hieronder volgt een fragment uit een bekend sprookje)
Ineens zagen ze midden in het bos een huisje staan. Het vogeltje ging op het dak zitten en Hans en Grietje konden hun ogen niet geloven.
Het was een snoephuisje met muren van peperkoek, een dak van chocoladerepen en ramen van suikergoed. Als versiering zaten er op de muren wel honderd spekkies.
'Lekker!' juichte Hans en hij rukte meteen een paar spekkies van de muur.
Grietje ging op haar tenen staan en kon net bij het dak. Ze pakte een dikke chocoladereep en propte die in haar mond.
Toen hoorden ze een krakend stemmetje.
'Knibbel, knabbel, knuisje,
wie knabbelt er aan mijn huisje?'
De kinderen keken om zich heen, maar zagen niemand. Hans haalde zijn schouders op en zei tegen Grietje: 'Dooreten.' Hij propte nog een handvol spekkies naar binnen.
Weer klonk het enge stemmetje.
'Knibbel, knabbel, knuisje,
wie knabbelt er aan mijn huisje?'
Grietje riep gauw:
'Het is de wind, de wind,
mijn lieve kind!'
Ineens vloog de deur open en kwam er een lelijk vrouwtje naar buiten. Hans schrok zo dat hij zich verslikte in zijn spekkies en Grietje verstopte gauw een reep chocola achter haar rug.
Het vrouwtje had een puntmuts op, kleine ogen, lange vieze haren en ze leunde op een stok.
'Een heks,' fluisterde Grietje.
Het vrouwtje begon kakelend te lachen en riep: 'Hoe kom je daar nou bij, lief meisje? Heksen bestaan toch helemaal niet. Ik ben een arme, zielige vrouw, die eenzaam in het bos woont. En ik ben dol op kinderen.
Hans en Grietje keken haar ongelovig aan.
'Echt waar,' kraste het vrouwtje, 'ik ben gek op kinderen. Daarom heb ik dit snoephuisje gebouwd. Allemaal om jullie, lieve schatjes, te kunnen verwennen. Kom maar gauw binnen, mijn lekkertjes, daar heb ik nog veel meer heerlijke hapjes.'
Hans en Grietje wisten niet wat ze moesten doen. Maar ze hadden zo'n honger en ze roken patat en frikadellen en pannenkoeken.
'Toe maar, mijn verrukkelijke kindertjes,' zei het vrouwtje en ze duwde Hans en Grietje naar binnen.
Nou, ze had niets te veel gezegd. De tafel stond vol heerlijke hapjes en de kinderen aten hun buik vol.
'Zo en nu lekker slapen,' zei het vrouwtje. 'Jullie zullen we moe zijn.'
In een ander kamertje stond een groot bed en Hans en Grietje rolden erin. Met hun armen om elkaar heen vielen ze in slaap.
Het vrouwtje ging op een stoel naast het bed zitten en keek naar de slapende Hans en Grietje. 'Wat een lieve kindertjes,' fluisterde ze zacht, 'om op te vreten, zo lief. En wat jammer nou voor die twee lekkere schatjes dat ik toch een heks ben. Maar het zijn nog wel magere scharminkeltjes. Daarom zal ik eerst dat jongetje eens flink vetmesten. Dat meisje mag me daarbij helpen. En als dat kereltje dan lekker dik en vet is, ga ik hem braden. Mmm, dat wordt smullen.'
Tevreden sloop ze het kamertje uit en ging op haar heksenbed liggen.
(Jacques Vriens, Grootmoeder, wat heb je grote oren, klassieke sprookjes, opnieuw verteld, Van Holkema & Warendorf, Houten, 1996, p. 34-35.)
vragen:
